Familiegeschiedenis Familie Wolff

Categorieën:

Tijdens de onderzoeken naar mijn overgrootvader Christiaan Carel Kemper kwam ik in aanraking met de familie Wolff. Destijds de onderburen van de familie Kemper. De verhalen over deze familie intrigeren mij. De vader Julius Wolff geboren in Paramaribo, Suriname én Joods. De moeder Thelma Brugman geboren in Nederlands Indië (thans Indonesië). Bijzondere mix van culturen, maar met een gedeeld koloniaal verleden.

Tijdens mijn lezing op 5 mei 2025 in het huis van de dochter van Julius Wolff en Thelma Brugman kwam ik voor het eerst in contact met de familie Wolff. Tijdens deze gesprekken hebben we het ook gehad over hun familiegeschiedenis en dat bleef de dagen erna bij mij hangen. Vooral in de familiegeschiedenis van Julius Wolff besloot ik mij te verdiepen. Via het stadsarchief Amsterdam kwam ik achter de ouders van Julius en met de combinatie van het Nationaal Archief, waar veel registers liggen uit Suriname en het Nationaal Archief van Suriname lukte het mij om de hele familiegeschiedenis van deze familie in Suriname te ontrafelen.

Een zoektocht waar ik weer veel ervaring mee heb opgedaan, want in Suriname kwam ik al snel in de Slavenregisters en koloniale archieven terecht en dus met de pijnlijke koloniale geschiedenis van ons land en dat van Suriname. Het uitwerken van een stamboom werkt daar toch even iets anders. Bij de geboorte van een kind staat vaak geen vader vermeldt, alleen een moeder. Vaders of anders gezegd mannelijke tot slaaf gemaakten hadden minder rechten dan vrouwen. Ook als een plantage- of slaveneigenaar de vader was werd dat vaak niet vermeld en het kind ook vaak niet erkent. Dat maakt het reconstrueren van de stamboom best lastig.  Er zijn veel bijzonderheden terug te zien. Diverse geloven, tot slaaf gemaakten, slaveneigenaren, ‘mulatten’, etc… Hieronder zie je de gehele stamboom van de familie Wolff startende bij Julius Wolff rechtsonder (geel omlijnd).

Stamboom van Familie Wolff (klik om naar de PDF versie te gaan om in te kunnen zoomen en als leidraad te gebruiken voor dit artikel)

Familie Wolff

Julius Wolff  en Thelma Brugman waren in Amsterdam op 6 augustus 1931 getrouwd. In hun huwelijksakte lezen we terug wie de ouders van Julius waren. Zijn vader was Johan Leopold Jacobus Wolff en moeder Mathilda Gomperts. Julius Wolff was geboren in Paramaribo, Nederlandsch West-Indië (thans Suriname) op 6 mei 1910. In het stadsarchief Amsterdam is ook een gezinskaart terug te vinden van Johan Leopold Jacobus Wolff. Hier is te lezen dat hij geboren was in Paramaribo, Nederlandsch West-Indië op 9 november 1861 en hij een ambtenaar was in Nederlandsch West-Indië die met verlof in Amsterdam was. Op 14 juli 1911 kwam het gezin met in totaal 10 kinderen naar Amsterdam en ze vertrokken weer op 3 juli 1912 na bijna een jaar. Op diezelfde gezinskaart is ook te lezen dat Julius weduwnaar was van Geertruida Louisa de Rooij. Zijn tweede vrouw was Mathilda Gomperts, over haar meer in het hoofdstuk Familie Gomperts hieronder.

In het onderzoek in het Nationaal archief in Suriname is Johan Leopold Jacobus Wolff terug te vinden. Hij trouwde op 16 december 1891 met zijn eerste vrouw Geertruida Louisa de Rooij. Zij kregen samen in totaal 7 kinderen. Geertruida overleed op 23 maart 1903 in Paramaribo. Johan Leopold Jacobus Wolff hertrouwde op 12 juli 1905 met zijn tweede vrouw Mathilda Gomperts en zij kregen samen 6 kinderen. Een samengesteld gezin.

Van Johan Leopold Jacobus Wolff is geen geboorteakte terug te vinden, omdat de geboorteaktes uit 1861 van Paramaribo verloren zijn gegaan. Het is nogal een puzzel, maar Johan Leopold Jacobus is veelvuldig terug te vinden als getuige en aangever bij geboortes en overlijdens. Bij overlijdens van de kinderen van Johanna Sophia Wolff zien we dat hij genoemd wordt als ‘oom’.

En ook bij andere mensen zien we de relatie terugkomen waarmee een start van de puzzel gemaakt kan worden.

Maar ook bij de geboortes van de kinderen van Johan Leopold Jacobus Wolff, zien we de naam Wolff terugkomen. Bij een aantal kinderen zien we een getuige genaamd Hendrik Jan Wolff.

Van zowel Hendrik Jan Wolff als Johanna Sophia Wolff zijn wél geboorteaktes terug te vinden. Hun ouders zijn hetzelfde, vader genaamd Hendrik Wolff en moeder genaamd Jacoba Anna Wilhelmina Treurniet. Aangezien Johan Leopold Jacobus Wolff genoemd wordt als ‘oom’ van de kinderen van Johanna Sophia Wolff, zal hij dus een broer van haar én Hendrik Jan Wolff geweest zijn. Dat klopt ook, omdat we zien dat hij terugkomt als ‘neef’ van overleden Jacobus Frans Treurniet en Paulus Theodor Treurniet, wanneer zijn moeder Jacoba Anna Wilhelmina Treurniet is en de overleden personen dus ooms van Johan.

Via onderzoek in zowel de geboorteaktes als overlijdensaktes onder de naam Wolff en Treurniet valt het gezin van Hendrik Wolff en Jacoba Anna Wilhelmina Treurniet te reconstrueren. Bijzonder om te zien is dat een deel van de kinderen geboren werd met de achternaam van hun moeder Treurniet. Dat komt doordat het echtpaar pas in 1867 trouwde en de eerste 5 kinderen in respectievelijk 1860, 1861, 1863, 1866 en 1866 werden geboren zonder registratie van een vader. Alleen Johanna Sophia en Hendrik Jan kregen direct de naam Wolff bij hun geboorte. De achternaam van de eerder geboren kinderen veranderde na het huwelijk van Treurniet naar Wolff. Dat betekent dat Johan Leopold Jacobus, geboren in 1861, dus oorspronkelijk ook geboren moet zijn met de achternaam Treurniet. Over de familie Treurniet later meer.

In de overlijdensakte van Hendrik Wolff van 22 oktober 1878 zien we een eerder geziene naam terugkomen. De aangever is zijn zwager Paulus Theodor Treurniet, de oom van Johan Leopold Jacobus Wolff. Ook zien we wie Hendrik zijn moeder is, maar er staat geen vader vermeld. Zijn moeder is Johanna Sophia Comvalius. Helaas is er van Hendrik dus geen vader bekend, maar toch heeft hij een andere achternaam dan die van zijn moeder. Mogelijk de achternaam van een niet vermelde biologische vader? De geboorteakte van Hendrik van 6 december 1830 levert niet veel meer informatie.

Zoekend op de naam Johanna Sophia Comvalius komen we nog een kind tegen genaamd Johannes Abraham Claassen geboren op 11 oktober 1833, maar ook hier staat geen vader vermeld. Bijzonder want dit kind heeft wéér een andere achternaam, namelijk Claassen.
De wijkregisters geven mogelijk een aanleiding. Rond 1833 woonde Johanna Sophia Comvalius in bij iemand met de naam Sara van Klaassen. Dit was de tijd waarin slavernij nog niet was afgeschaft en dus zou het kunnen zijn dat de eigenaar iemand was met de naam Klaas of achternaam Klaassen.

De naam van haar eerste zoon Hendrik Wolff valt mogelijk te herleiden naar een (mogelijke) tante van Johanna Sophia, genaamd Christina van Wolff, maar dat is niet bewezen. Ook duikt in de onderzoeken veelvuldig de naam H.M. Wolff op, Hendrik Maurits Wolff (1751-1804) Administrateur en eigenaar van diverse plantages, zijn vader heette Hendrik Wolff (overleden 23 november 1776) en hij kreeg meerdere kinderen waaronder een zoon genaamd Hendrik Lodewijk Wolff (of zelf genaamd Louis Hendrik Wolff) (1784-?) en daarnaast werd een kind op 23 januari 1803 gedoopt genaamd Hendrik Wolff (geboren 3 januari 1803) waar Hendrik Maurits Wolff peter van was. Mogelijk was een van deze kinderen de biologische vader van Hendrik Wolff? Helaas is er tot op heden geen bewijs voor gevonden. Tot zover reikt het onderzoek naar de familie Wolff, waarbij de oudste voorvader op dit moment Hendrik Wolff (1830-1878) is.

Familie Gomperts

De tweede vrouw van Johan Leopold Jacobus Wolff en moeder van Julius Wolff heette Mathilda Gomperts volgens de gezinsregistratie van haar man hierboven is zij geboren in Paramaribo op 5 oktober 1872. Van Mathilda komen we geen geboorteakte tegen onder de naam Gomperts. Wel is een geboorteakte terug te vinden van een Mathilda Sandnaar waarin de kant vermeld staat dat Maurits Elias Gompert haar op 17 november 1887 erkend als zijn ”natuurlijke kind”. Haar moeder was (Judith) Frederika Zantnaar. Onder de naam van Frederika Sandnaar/Zantnaar kunnen we het gezin reconstrueren. Frederika kreeg 6 kinderen waarvan er in 1887 nog 3 leefden en allemaal erkend werden door Maurits Elias Gomperts. Bijzonder om te zien is dat Frederika Zantnaar overleed op 15 juni 1887 vóórdat Maurits de kinderen erkende. Maurits en Frederika zijn nooit getrouwd geweest. Over Frederika Zantnaar en haar familie later meer.

Maurits (of Moses) Elias/Eliazer Gomperts stamde af van de Hoogduits-Joodse familie Gomperts. Op internet komen we diverse uitgewerkte stambomen tegen van deze familie. Dat maakt het zoeken en uitwerken een stuk makkelijker. De familie Gomperts was een rijke familie met voornamelijk Slaveneigenaren waarvan 4 generaties in Nederlandsch West-Indië (Suriname) leefden. De ouders van Maurtis waren Eliazer Jacob Gomperts (1808-1879) en Ester Moses Salomons (1813-1854). De ouders van Eliazer Jacob Gomperts waren Jacob Gomperts (1781-1843) en Mariana Eliazer Soesman (1786-1843) . De ouders van Jacob Gomperts waren Simon Gomperts (1747-1797) en Bila Salomon Coenraads (Blits) (1750-1792).  Simon Gomperts werd geboren in Paramaribo, maar trouwt rond 1775 met Bila Salomon Coenraads (Blits) zij was geboren in Amsterdam. De ouders van Simon Gomperts waren Gompert Israël Gomperts (1702-1771) en Judith Coenraads (Blits) (1715-1780). Gompert Israël Gomperts was geboren in Kleve, Duitsland en emigreerde op een gegeven moment naar Paramaribo, Nederlandsch West-Indië en trouwt daar in 1736 met zijn vrouw Judith Coenraads ook zij was geboren in Amsterdam. De Familie Gomperts had in die tijd ook een nauwe band met Amsterdam. De familie Gomperts komt veelvuldig voor in het stadarchief van Amsterdam.

De familie Gomperts was generaties lang verbonden aan de Hoogduits-Joodse gemeente en synagoge in Paramaribo, Suriname. De naam Gomperts komt veelvuldig voor in bestuursfuncties van deze Joodse gemeente.

Gompert Israel Gomperts

De familie Gomperts was oorspronkelijk actief in het Duitse Kleef, en kwam als handels- en bankiershuis ook elders in Europa terecht. Via Amsterdam reisde Gompert Israel Gomperts begin 18e eeuw naar Paramaribo, waar hij kwam te wonen in het hoekhuis aan de Waterkant.

Stamvader Gompert Salomon verwierf in het Duitse Kleef een vermogen door de levering van alcohol en tabak aan de soldaten van het Hollandse garnizoen, dat er gelegerd was.

De familie zette het werk van hun stamvader voort en ze ontwikkelden zich tot handelaars en bankiers met vestingen in een aantal Europese hoofdsteden. In de achttiende eeuw was de familie Gomperts één van de meest vooraanstaande families binnen de Asjkenazische elite van de Republiek.

Ze waren in eerste instantie in Gelderland actief, en daarna zouden Reuben en Mozes Gomperts zich in Amsterdam vestigen. De aanduidingen Mokum voor deze stad en het begrip lommerd voor leenbank dateren uit die tijd.

Nadat de eerste vrouw van Gompert Israel Gomperts in 1717 in Duitsland was overleden hertrouwde hij 1736 in Amsterdam met Judith Coenraad Blits (1715-1780) met wie hij meerdere kinderen zou krijgen. Hij had kennelijk de nodige werkzaamheden in Paramaribo want in 1745 stond hij er te boek als eigenaar van het hoekhuis aan de Waterkant. (Bron: https://suriname.nu/surinamezoeken/knowledge-base/gompert-israel/)

Door de aanwezige stambomen op internet met betrekking tot de familie Gomperts kunnen we deze lijn door trekken tot vóór 1532. De oorsprong van deze familie ligt in Duitsland rond de plaatsen Emmerich, Wesel en Kleve. Allen dichtbij de Nederlandse grens.

Een Joodse familie met een lange geschiedenis waarvan de stamvader is genaamd Juda Mordechai Gompel.

Meer informatie over de geschiedenis van de familie Gomperts: https://joodsecanon.nl/2oz/1702-BaruchBenedictus-Levi-Gomperts/

Familie Zantnaar & Garcia

De oma van Julius Wolff en moeder van de moeder van Julius, Mathilda Gomperts is Judith Frederika Zantnaar. Zij overleed op 15 juni 1887 in Paramaribo, in haar overlijdensakte staat dat ze ongehuwd is gebleven en 46 jaar oud was, dat betekent dat ze rond 1841 geboren moest zijn. Ook staat in de overlijdensakte alleen vermeld wie haar moeder was, namelijk Henriette Maria Zantnaar. Van 1863 tot 1883 kreeg zij in totaal 6 kinderen, bij haar overlijden leefden er nog 3 van. Van Judith Frederika is geen geboorteakte te vinden.

In de Slavenregisters is Frederika terug te vinden met daarbij in 1853 de registratie dat ze de achternaam Zantnaar kreeg. In diezelfde akte zijn nog twee broers, een zus en moeder terug te vinden. Haar moeder heette Merie en kreeg later de naam Henriette Merie Zantnaar. Kortom de familie Zantnaar waren tot slaaf gemaakten. Ook in de Manumissie-registers waarin tot slaaf gemaakten vrij gemaakt werden en daar een achternaam kregen toebedeeld komt de naam Zantnaar voor. Niet alleen kregen ze een achternaam maar vrijgemaakte tot slaaf gemaakten kregen meestal ook een dubbele Europese voornaam. De voor- en achternaam werden meestal gegeven door degene die ze vrij hadden gemaakt. In dit register is een registratie terug te vinden van Martha Alijda Zantnaar, haar slavennaam was Alijda en zij was de zus van Frederika. Zij werd op verzoek van Ludwig Martin Kohn aan Isaac van Lier vrijgemaakt op 16 mei 1860. Ze verkreeg de achternaam Zantnaar.

De rest van het gezin werd op 1 juli 1863 bij de algehele afschaffing van de slavernij vrij gemaakt en kregen vervolgens allemaal de naam Zantnaar. Ook hun oom “Bernard I” kreeg de naam Bernardus Joseph Zantnaar. Dat was gebruikelijk, om ook de familiare band te bestempelen.

In de Borderellen (compensatie van de overheid voor de slaafeigenaren) is Isaac van Lier terug te vinden. Hij kreeg in 1863 voor 8 tot slaaf gemaakten een compensatie van 2400 gulden. Op deze lijst komen de namen voor van het gezin Zantnaar. Moeder Merie en dochter Frederika waren beiden “huis meid” en de zonen Robert en Adriaan waren beiden “huis bediende”.

In het slavenregister komt het gezin voor het laatst voor als tot slaaf gemaakten onder Isaac van Lier. Op 14 mei 1853 werd het gezin door Isaac van Lier ‘gekocht’ van David Bueno de Mesquita. Ook zijn registraties van dit gezin terug te vinden onder de eigenaar David Bueno de Mesquita van 1851 tot 14 mei 1853, maar ook van 1848 tot 1851. Onder de naam Merie (moeder van Frederika) valt te lezen dat zij werd geboren in 1825 en haar moeder Junij heette. Ook haar moeder Junij is terug te vinden als tot slaaf gemaakte onder David Bueno de Mesquita.

David Bueno de Mesquita gebruikte unieke namen voor zijn tot slaaf gemaakten, dus bestond er maar één tot slaaf gemaakte met de naam Junij en zelfs haar moeder genaamd Jekie komt als enige voor. Vanuit Jekie is de familie vrij eenvoudig te reconstrueren. Jekie was geboren in het jaar 1768 en overleed op 16 maart 1843. Haar kinderen waren Junij geboren in het jaar 1799 en overleed op 24 februari 1849 en Mimie geboren in het jaar 1797 en overleed op 30 september 1865 na de afschaffing van de slavernij.

Junij had drie kinderen genaamd, Mietje 1e geboren in het jaar 1829 en zij overleed op 6 augustus 1861, zij had drie kinderen die allen voor de afschaffing van de slavernij in 1863 waren overleden, Bernard geboren in het jaar 1820 en overleed op 31 oktober 1863 enkele maanden na de afschaffing van de slavernij en Merie geboren in het jaar 1825 en overleed op 26 juli 1880. Merie had vier kinderen Robert, Alijda, Adriaan en Frederika.

Mimie had vijf kinderen genaamd Ordonanns geboren in het jaar 1820 hij overleed op 29 juli 1855, Jetta geboren in het jaar 1823 zij overleed op 15 januari 1888, Jauw geboren in het jaar 1825 en hij overleed op 21 december 1876, Coba geboren in het jaar 1827, zij overleed op 27 december 1887 en zij had 6 kinderen en als laatste Bebé geboren in het jaar 1839 en zij overleed op 18 maart 1910.

Mimie en haar kinderen stonden tot de afschaffing van slavernij bij David Bueno de Mesquita als tot slaaf gemaakten geregistreerd. Hij ontving 6900 gulden als compensatie voor de 23 tot slaaf gemaakten die vrij kwamen. Op deze lijst zien we het gezin van Mimie terugkomen.

Na de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863  werd de naam “Zantnaar” gegeven aan alle nog in levende kinderen van Junij en de naam “Garcia” aan Mimie en haar kinderen. Als enige uitzondering was Bebé, zij en haar zoon Cornelis werden in 1857 al verkocht aan Francs Amadicis Cars Dumontier “voor den vrijdom”, maar niets bleek minder waar. Ze werd vrijwel direct “uitgevoerd” en doorverkocht naar Curacao. In 1860 koopt Francs Amadicis Cars Dumontier haar weer terug en maakte haar dan eindelijk vrij. Bebé kreeg de naam Elisabeth Dutier en haar zoon Cornelis Dutier. Elisabeth Dutier kreeg meerdere kinderen en overleed op 18-03-1910 in Paramaribo.

In de overlijdensakte van Mimie Helena Garcia staat aangegeven dat haar moeder “Jetje van I.J.B de Mesquita” is. Toch wijst alles erop in de Slavenregisters dat het hier gaat om moeder Jekie die tot slaaf gemaakte was van vóór 1830 tot haar overlijden in 1843 onder David Bueno de Mesquita. Isaac Jacob Bueno de Mesquita was de erfgenaam van David Bueno de Mesquita en wordt daarom genoemd. Bij het overlijden van Josephina Clasina Garcia een dochter van Coba Magdalena Garcia is tevens een getuige te zien genaamd Hendrik Jan Wolff.  Dit bevestigd dat er een verbinding is tussen de familie Wolff en de familie Garcia en dus ook familie Zantnaar.

Helaas is deze lijn niet verder terug te herleiden dan tot stammoeder Jekie (1768-1843).

Op de “Borderel van aangifte” van zowel Isaac van Lier als David Bueno de Mesquita staat ook de godsdienst vermeld van de twee gezinnen van Merie en Mimie. Het gezin van Merie staat “Mor. Brd. Gemeente” wat staat voor Moravische Broerdergemeente, ook wel Evangelische Broedergemeente genoemd. Bij Mimie en haar gezin staat “Hern(h)utters” wat een ander woord is voor de Evangelische/Moravische Broerder gemeente. Hier kunnen we iets belangrijks uit opmaken, (Judith) Frederika Zantnaar, grootmoeder van Julius Wolff, had als godsdienst Evangelische Broedergemeente. Zij was uiteindelijk ongehuwd gebleven. Haar dochter Mathilda Zantnaar (later Gomperts) was dus oorspronkelijk zeer waarschijnlijk christelijk opgevoed. Na het overlijden van Frederika was Mathilda met haar twee andere andere zussen erkent door Maurits Eliazer Gomperts, zij was toen 16 jaar. Zou zij zijn bekeert tot het Joodse geloof? Helaas is hier vooralsnog geen bewijs voor gevonden. Als Maurits Eliazer Gomperts écht haar biologische vader was, had zij verre gaande Joodse roots via haar ‘vader’, maar niet via haar moeder.

Familie de Vreugd

De oma van Julius Wolff aan zijn vaderskant was genaamd Jacoba Anna Wilhelmina Treurniet. In haar overlijdensakte van 13 juni 1912 is te lezen dat zij 75 jaar oud was, dus in 1836 geboren moet zijn en haar ouders Jan Lodewijk Treurniet en Lodewijka Maria de Vreugd waren. De aangever van haar overlijden was Ewoud Lodewijk Treurniet. Van Jacoba kan ik onder de naam Treurniet geen geboorteakte terugvinden. Als gezocht wordt op Ewoud Lodewijk Treurniet is wél een geboorteakte op 6 december 1854 terug te vinden. In zijn akte valt in de bijschrift te lezen dat Jan Lodewijk Treurniet het kind van Lodewijka Maria de Vreugd erkent na huwelijk op 30 juni 1858.

Er is een overlijdensakte van Lodewijka Maria de Vreugd van 24 oktober 1881 zij was toen 63 jaar oud en dus geboren in het jaar 1813. Daarin is een belangrijke aanwijzing terug te lezen. Haar moeder staat vermeld als “wijlen Dora toebehorend hebbende aan S. H. de la Parra”. Kortom dit zegt ons dat haar moeder een tot slaaf gemaakte was én Dora heette. Het feit dat Lodewijka een achternaam heeft betekent dat ze vrijgemaakt was.

In het archief van manumissies (vrijgemaakte tot slaaf gemaakten) van vóór 1863 komen we inderdaad Lodewijka Maria de Vreugd tegen. Ze werd op 14 september 1853 vrijgemaakt door J. L. Treurniet. Daarin werd niet alleen zij, maar ook vier van haar kinderen vrijgemaakt en van een naam voorzien. De slavennaam van Lodewijka Maria was Marie. In dit archief komt nog een registratie voor van Lodewijka Maria de Vreugd op 16 juni 1858 waarop J.L. Treurniet goedkeuring krijgt om met haar thuis te trouwens vanwege ziekte.

De achternaam de Vreugd verkregen zij doordat de dochter van Marie genaamd Cornelia al in 1850 werd vrijgemaakt. Zij was toen nog maar 6 maanden oud en werd door M. J. Treurniet, de tante van Jan Lodewijk Treurniet vrijgemaakt. In de Gouvernementsjournaal van 11 december 1850 vinden we terug dat het jonge meisje toen de naam Paulina Cornelia de Vreugd kreeg.

Lodewijka Maria de Vreugd en haar kinderen hebben dus allen aanvankelijk de achternaam de Vreugd gedragen, maar na het huwelijk tussen haar en Jan Lodewijk Treurniet en de erkenning van de kinderen kregen de kinderen allemaal de achternaam Treurniet. Haar oudste dochter Jacoba Anna Wilhelmina is dan al 22 jaar oud.

We weten inmiddels dat Lodewijka Maria de Vreugd een dochter was van Dora en dat ze ’toebehoorde’ aan S. H. de la Parra. In de Slavenregisters is Marie en haar kinderen terugvinden onder de eigenaar J.L. Treurniet. Daarin is te lezen dat Marie haar moeder vermeld wordt als “Dora (Batavia)” en staat achter hun namen ook de volledige namen die ze hebben verkregen bij de manumissie. Daarnaast valt te lezen dat Jan Lodewijk Treurniet ze had ‘gekocht’ van Samuel Hananja de la Parra.

We komen het gezin ook tegen in de Slavenregisters onder de eigenaar Samuel Hananja de la Parra. Daar is ook te lezen dat haar dochter Cornelia ‘verkocht’ werd in 1850 aan M. J. Treurniet. Maar ook valt op dat er andere tot slaaf gemaakten geregistreerd staan waarvan de moeder “Dora / Batavia” was. Zo zijn er 3 broers terug te vinden genaamd Louis geboren in het jaar 1816, Johannes geboren in het jaar 1818 en Jan geboren in het jaar 1825.

Louis werd op 4 april 1853 gekocht door Thomas Green. Bij de Borderellen van Thomas Green, komt Louis nog voor, en in de Gouvernementsjournalen zien we terug dat Louis de naam Doorn/Dorn kreeg. Bijzonder om te lezen is de reden waarom, hij werd blijkbaar gezien als afstammeling van tot slaaf gemaakten (Susette, Clarisse & Willem) die eerder waren vrij gemaakt, respectievelijk in 1839 en 1860, en ook de naam Doorn/Dorn hebben gekregen. Onderzoek naar deze voormalige tot slaaf gemaakten wijst uit dat er helemaal geen directe relatie ligt. Helaas is er verder niets meer terugvinden over Louis Doorn/Dorn. Broer Jan kreeg bij de afschaffing van de slavernij de naam Jan Jacob de Vreugd.

Helaas valt er van Dora (Batavia) niets meer terug te vinden. Aangezien haar naam structureel gekoppeld wordt aan Batavia en er ook tot slaaf gemaakten uit Nederlands Oost-Indië (thans Indonesië) naar Suriname verplaatst werden is het aannemelijk dat Dora geboren was in Indonesië en er dus Indonesisch bloed stroomt in deze familie.

Familie Treurniet

Dus de oma van Julius Wolff aan zijn vaderskant was genaamd Jacoba Anna Wilhelmina Treurniet. Vanaf haar 22e jaar droeg ze de achternaam Treurniet. Haar ‘vader’ was Jan Lodewijk Treurniet. Vanuit de overlijdensakte van Jan Lodewijk komen we erachter wie zijn moeder was, namelijk Cornelia Paulina Middelijn. Een vader is niet bekend. Zoekende op de naam Cornelia Paulina Middelijn komen we nog een overlijdensakte tegen van 14 november 1860 als ene Hendrik Alexander Hagedorn was overleden. Hij heeft klaarblijkelijk dezelfde moeder én Jan Lodewijk Treurniet is de aangever en tevens ‘broeder’ van de overledene.

In de Wijkregisters van Paramaribo komen we Cornelia Paulina Middelijn ook tegen. In 1834 woonde Cornelia Paulina Middelijn (61 jaar) aan de Steenbakkersgracht 600 met Jan Lodewijk Treurniet (18 jaar) én Charles Johannes Gotlieb Treurniet (21 jaar). In 1835 was de hoofdbewoner van Steenbakkersgracht 600 de schrijver Ewoud Frans Treurniet (49 jaar) en woonde er ene Margaretha Johanna Treurniet (42 jaar) in, naast Cornelia Paulina Middelijn (62 jaar), Jan Lodewijk (19 jaar) en Charles Johannes (22 jaar). In 1837 woonden Ewoud Frans Treurniet (54 jaar), Charles Johannes (28 jaar), Jan Lodewijk (24 jaar) en Cornelia Paulina (59 jaar) op de Steenbakkergracht 166 (oud nummer 600). In 1839, 1840 en 1841 woonden Ewoud Frans (55 jaar), Jan Lodewijk (25 jaar) en Cornelia Pauline (60 jaar) nog op het adres. In 1842 zien we alleen nog Ewoud Frans (58 jaar) en Jan Lodewijk (25 jaar), maar geen Cornelia Paulina meer. Blijkbaar was zij in dat jaar al overleden. Aangezien Ewoud Frans Treurniet bijna altijd hoofdbewoner was en veel van de kaarten zo geschreven waren dat Jan Lodewijk en Charles Johannes kinderen lijken te zijn van Ewoud Frans, nemen we dat maar aan.

Als in diezelfde Wijkregisters verder gezocht wordt naar Ewoud Frans Treurniet is te zien dat hij samen met C. P. Middelijn al op 1828 (begin van registratie van Wijkregisters in paramaribo) op datzelfde adres woonden, maar in dat jaar en in 1829 is de hoofdbewoner Albina van J. Treurniet (80 jaar, dus geboren in het jaar 1748). Daarnaast zien we ook een andere zoon genaamd Pierre Edward Albertus Treurniet (20/21 jaar) die na 1829 niet meer voorkomt. Volgens een registratie in de Surinaamsche Courant van 6 mei 1830 overleed hij op 11 april 1830 op 23-jarige leeftijd.

Het gezin woonde van vóór 1828 tot in 1852 op de Steenbakkersgracht 166 (voorheen 600). De Steenbakkersgracht was een daadwerkelijke gracht die liep van de Waterkant (Suriname rivier) het binnenland in. De Steenbakkergracht bestaat vandaag de dag niet meer in Paramaribo. De gracht zelf is gedempt en de straat heet nu Dr. Sophie Remondstraat. Het huis aan nummer 166 kunnen we ook herleiden naar de huidige locatie. Nummer 166 was gekoppeld aan een huis op het blok tussen de Zwarthovenbrugstraat en Groote Dwarsstraat (thans A.L. Waaldijkstraat). Jan Lodewijk Treurniet verkocht het huis op 24 mei 1852 aan G. E. Wijbers.

In de Volkstelling van 1811 vinden we Ewoud Frans Treurniet en Cornelia Paulina Middelijn ook terug. In dit document zien we dat Cornelia Paulina nóg twee zoons had. J. M. H. Joosten en A. P. H. Joosten. In de Wijkregisters in 1828 komen we iemand tegen met de naam Abraham Pierre Henrik Joosten met de leeftijd van 30 jaar (dus geboren in 1798). Hij woonde op De Grote Dwarsstraat 710 met zijn oom en tante Jan Muller, Adriana Agnetta Middellijn en zijn oma Jacoba Sophia Comvalius. Daarnaast vinden we in de Doop-, Trouw- en Begraaf boeken van Suriname twee registraties terug van C. P. Middelijn een dochter genaamd Johanna Bernhardina Gesina Treurniet overleed in 1813 én een zoon genaamd Jan Maarten Hendrik Joosten overleed in 1815. Van beide overlijden was E. F. Treurniet de aangever.

Het is een puzzel, maar het gezin Cornelia Paulina Middelijn & Ewoud Frans Treurniet wordt stukje bij beetje ingevuld.

In de doopregisters van de Evangelische Broedergemeente vinden we Ewoud Frans Treurniet zijn doop terug (hoewel zijn voornamen zijn omgedraaid). Hij werd gedoopt op 1 augustus 1791 samen met een broer genaamd Johan Antonie Treurniet. Er staat geen vader vermeld, maar wel een moeder. De moeder is Elbina van Treurniet. Ook valt te lezen “…werd ter heilige doop door Jacob: Treurniet aangeboden 2 kinderen…”

Ook werd op 14 mei 1798 een dochter gedoopt genaamd Margaretha Johanna Treurniet. Hier staat als moeder genoemd “de vrije Albina van Treurniet” en een peter genoemd “Jacobus Treurniet.

Op 28 oktober 1821 vinden we de doopinschrijving van Albina van Treurniet zelf.

Ook in de Volkstelling Suriname 1811 is Albina (verkeerd geïnterpreteerd “Albona van Treurniet” er staat duidelijk een stipje boven, wat er uit ziet als een “o” is een gekromde “i”) terug te vinden. Hierin zien we een deel van het gezin terug samen met hun 13 tot slaaf gemaakten en lezen we dat J. Treurniet Directeur was van plantage Wajamoe.

In de Surinaamsche Staatkundige Almanakken stond ook geregistreerd welke plantages er in Suriname waren in die tijd, wie de eigenaren waren en wie Directeur en Administrateur van de betreffende plantages. Vanuit deze Almanakken die vanaf 1793 uitgegeven werden valt te concluderen dat J. Treurniet op 1793 al Directeur was van plantage “Wajamoe” tot zijn dood in 1820. Het zou kunnen dat zijn zoon Johan Antonie Treurniet de functie van Directeur overnam, want in de almanak van 1818 lezen we de naam J. A. Treurniet. Vanaf 1821 neemt B. F. Ritscher die functie over. Wajamoe is een koffieplantage en de eigenaren zijn de erfgenamen van Willem Bedloo (1734-1785).

Ook valt uit deze Almanakken op te maken dat J. Treurniet vanaf 1793 Administrateur was op de koffieplantage “Queekhoven” (ook wel Kweekhoven genaamd), de eigenaren van deze plantage waren A. Lemmers en G. Knip. A. Lemmers was verwant aan (de erfgenamen van) Willem Bedloo.

J. Treurniet is was ook vanaf 1796 Directeur van de koffieplantage “De Zes/Ses kinderen” waar de eigenaren ook de erfgenamen van Willem Bedloo waren. Van deze plantage is weinig terug te vinden. De naam van deze plantage slaat terug op de 6 kinderen (en dus erfgenamen) van Willem Bedloo.

In een Notariële akte uit 1786 in Amsterdam wordt de overdracht van Plantage Queekhoven besproken waar Jacobus Treurniet dan al als Directeur voor komt van Plantage “Va comme je te pousse”. Ook in Notariële aktes uit 1788 en 1789 wordt hij genoemd als Directeur van Plantage va comme je te pousse.

Je zou kunnen stellen dat Jacobus Treurniet gespecialiseerd was in koffieplantages.

Bron: Speciaalkaart van Colonie Suriname 1801 (klik op de kaart hierboven om een grotere kaart te zien)

Koffieplantage Va comme je te pousse

De plantage Va comme je te pousse, het geen een Franse uitdrukking is voor “Met de Franse slag”, lag aan de Motkreek/Mudcreek. De plantage verbouwde koffiebonen en was 500 akkers groot (7 ha, 19 hect). De eigenaar van de plantage tot 1786 was Johan Alexander van Sandick na zijn overlijden nam zijn zoon Onno Zwier van Sandick het over. De plantage had tussen 1786 en 1790 tussen de 111 en 119 tot slaaf gemaakten. (bron: https://archief.amsterdam/inventarissen/file/f0bed2c8-a305-3338-88e3-797a5732411b)

Koffieplantage Wayamoe

Deze kaart toont de plantage Wayamoe van Willem Bedloo (1734-1785) gelegen ten noorden van de kreken Perica, Heelkavink en Wajamoe. De plantage verbouwde koffiebonen en was 1146 akkers (492,78 hectare) groot. De eigenaar van de plantage was Willem Bedloo. Na zijn overlijden waren de erfgenamen van W. van Bedloo de eigenaren, zijn 6 kinderen.

Bron: https://www.atlasofmutualheritage.nl/page/10168/kaart-van-de-plantage-wayamoe

Willem Bedloo emigreerde in de zeventiende eeuw van Middelburg naar Suriname. Hij wist daar op te klimmen tot regent en was daarnaast verantwoordelijk voor gewelddadige strafexpedities tegen mensen die van de slavenarbeid op de plantages waren weggevlucht naar het oerwoud om daar als vrije mensen te leven. Op 19 februari 1771 vielen volgens het bewaard gebleven gouverneursjournaal circa tweehonderd ‘Wegloopers’ Willems Plantage Hagenbosch aan en doodden de directeur. Het was de zesde aanval op plantages door de zogenaamde ‘Marrons’ in dat jaar. Daarnaast bezat de familie Bedloo ook een plantage, plantage d’Alyda. Deze plantage stond bekend als erbarmelijk, de eigenaren waren gewelddadig en tot slaaf gemaakten vluchtten veelvuldig.

Meer achtergrond informatie over Willem Bedloo en zijn kinderen is hier terug te vinden: https://oudlisse.nl/historie/bedloos-erven-in-lisse/
https://mijngelderland.nl/inhoud/specials/sporen-van-slavernijverleden/een-nijmeegs-aandeel-in-de-slavernij
https://suriname.nu/surinamezoeken/knowledge-base/bedloo/

Koffieplantage Queekhoven

De kaart links toont twee kavels van de Java Plantage in eigendom van de heer Lemmers, lid van de raad van politie en de Civile Justitie, ten westen (boven op de kaart) van de Motkreek/Mudcreek.

De heer Jacob Lemmers heeft de meting in 1731 aangevraagd na de Queekhoven koffieplantage en de Sanderits Norandibo plantage te hebben bemachtigd tussen de jaren 1684 en 1721.

De plantage verbouwde koffiebonen en was 1000 akkers (430 hectare) groot.

Bijzondere is ook dat de eigenaar van Plantage Queekhoven de heer Jacob Lemmers eigenaar was het Hoekhuis aan de Waterkant in Paramaribo. In 1712 was het perceel op de hoek van de Waterkant en het Onafhankelijkheidsplein in bezit van Jacob Lemmers, die er een huis had staan dat hij niet bewoonde. Lemmers was in ieder geval vanaf 1726 raadsheer van politie en eigenaar van de plantages Queekhoven en Nacracabo aan de Motkreek. In 1745 werd Gompert Israel Gomperts eigenaar van het perceel. En zo ligt er ineens weer een link naar een ander deel van de familie. (bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Hoekhuis_(Waterkant))

Zoekende op Jacob Treurniet kom ik er via internet achter dat er een gezin Treurniet vanuit Amsterdam emigreerde naar Berbice. Berbice is een ‘vergeten’ voormalige Nederlandse Kolonie die direct aan de westkant van Suriname ligt, tussen de Rio (rivier) de Berbice en Suriname. Berbice is tegenwoordig onderdeel van Guyana. In Berbice lagen destijds ook vele plantages onder bewind van de Nederlandse regering. Hoewel er weinig te vinden is over Berbice en de mensen die er leefden, is er wel een archief van Berbice te vinden. In dit archief zitten ook lijsten van schepen die vanuit Nederland naar Berbice voerden met daarbij de passagiers. Een registratie van 12 april 1765 laat het gezin Treurniet zien. Jacob Treurniet (1722-1766) met zijn vrouw Aletta Jacoba Jolles (1730-1767) en hun drie zoons Cornelis, Johannes Jacobus en Jolle Albertus Treurniet. Zij hadden ook een dochter, maar die is blijkbaar in Amsterdam gebleven bij haar oom Cornelis Treurniet.

Een reis naar Berbice is niet zonder risico. Wie daar in de koloniale tijd heen ging, wachtte een hels, heet en kort bestaan. Berbice (tegenwoordig in Guyana) was vanaf 1627 zo’n twee eeuwen lang een kleine Nederlandse kolonie ten westen van het veel grotere Suriname.

Het gezin Treurniet vertrok begin 1765 naar Berbice, niet veel eerder was er een enorme opstand geweest in Berbice van tot slaaf gemaakten. Op 23 februari 1763 kwamen de tot slaaf gemaakten in de Nederlandse kolonie Berbice in opstand onder leiding van Cuffy, Cosala, Accabre, Atta, Akara en Goussari. In die tijd telde de hele kolonie slechts 346 blanken (mannen, vrouwen en kinderen) en 3833 Afrikaanse tot slaaf gemaakten. Vrijwel alle blanken ontvluchtten hun plantages. Ongeveer veertig van hen vonden de dood. De opstandelingen hielden het grootste deel van Berbice gedurende tien maanden bezet. Plantages werden verwoest, huizen verbrand en suikermolens onklaar gemaakt. Bij de onderdrukking van de opstand vonden 1800 tot slaaf gemaakten de dood. De opstand duurde tot de zomer van 1764, waarna de laatste rebellengroep werd verslagen. (Bron: https://nl.wikipedia.org/wiki/Slavenopstand_van_Berbice).

De tijd in Berbice was echter van korte duur, Jacob Treurniet overleed minder dan een jaar later op 10 april 1766 in Berbice. Zijn vrouw besloot in 1767 samen met haar kinderen terug te keren naar Nederland, maar overleed onderweg op het schip De Publicola waar ze op terugvoerden. Een Notariële akte van notaris Hermanus van Heel in Amsterdam laat zien dat moeder Aletta Jacoba Jolle tijdens de reis van Nederland was overleden en de voogdij van de kinderen (Johannes Jacobus 14 jaar, Jacoba 13 jaar, Jolle Albertus 10 jaar) bij hun ooms Cornelis Treurniet en Abraham Jolles terecht kwam. Zoon Cornelis wordt niet meer genoemd in de akte, dus kunnen we concluderen dat hij ook in Berbice moet zijn overleden.

Waarschijnlijk is er veel meer te vinden over Jacob Treurniet en zijn gezin gedurende hun beperkte tijd in Berbice. Wat was hun reden om naar Berbice te emigreren? Was hij in dienst van de Kolonie? Was hij eigenaar, directeur of administrateur van een plantage? Wellicht is er ook meer te vinden over zijn zoon Johannes Jacobus Treurniet. Het archief heeft veel informatie en is hier terug te vinden: 1.05.05 Inventaris van het archief van de Sociëteit van Berbice, (1681) 1720-1795 (1800)

In een Notariële akten uit 1779 rond de afwikkeling van het testament van zijn grootvader Cornelis Treurniet wordt Johannes Jacob Treurniet genoemd als wonende aan de Rio de Berbice. Zo ook een Notariële akte van zijn zus Jacoba Treurniet uit 1780 en 1783 in Amsterdam wordt haar broer Johannes Jacobus Treurniet genoemd als wonende aan de Rio de Berbice. Ergens tussen 1783 en 1786 is Johannes Jacobus Treurniet verhuisd van Berbice naar Suriname.

De verdere familiegeschiedenis van de familie Treurniet is vele generaties in Amsterdam goed terug te herleiden. Zoals we weten is ‘grootvader’ Cornelis Treurniet (1693-1765) de vader van Jacob Treurniet (1722-1766). Zijn moeder was Jacoba Jacobs Dom (1700-1755). De ouders van Cornelis waren Fem Cornelisz Treurniet (1661-1729) en Barber Hendriks Donker (1669-1751). De ouders van Fem Cornelisz waren Cornelis Femsen Treurniet (1636- voor 1688) en Ariaentje Dirx (?-voor 1671). En de ouders van Cornelis Femsen waren Fem Teunisz Treurniet (1604-1673) en Sijtje Theunis. De ouders van Fem Teunisz waren Theunis Hendriksz (ongeveer 1575) en Neel Claes (ongeveer 1580). De oorsprong van deze familie ligt in Enkhuizen.

Kortom de familie Treurniet kent een lange historie die helemaal teruggaat naar de laatste bekende stamvader Theunis Hendricksz in 1575 en vanuit Enkhuizen via Amsterdam naar Berbice en Suriname leidde.

Familie Middelijn en Comvalius

De moeder van Jan Lodewijk Treurniet, de overgrootmoeder van Julius Wolff, was genaamd Cornelia Paulina Middelijn. Zij was geboren in 1776 en overleed waarschijnlijk in 1842. In de doopregisters van de Nederlandse Gereformeerde Kerk in Paramaribo vinden we doopaktes terug van vier kinderen die met de achternaam Middelijn werden gedoopt in de periode van 1774 tot en met 1782. Het gaat om Johanna Beltharina Middelijn (17 april 1774), Cornelia Paulina Middelijn (25 augustus 1776), Maria Catharina Middelijn (11 juli 1779) en Adriana Agnetta Middelijn (24 februari 1782). Alleen hebben dezelfde moeder genaamd Jacoba van Comvalius.

Er vallen een aantal zaken op. Allereerst droegen de meisjes niet de naam van hun moeder maar de naam Middelijn. Waarom is niet duidelijk. Mogelijk heeft het iets te maken met hun biologische vader. Daarnaast staat dat het gaat om “onechte musties kind” en de moeder staat aangeduid als “een vrije mulattin” Een “onecht kind” was een kind dat buiten een huwelijk werd geboren. En “vrije” betekende dat iemand geen tot slaaf gemaakte was, maar vrij(gemaakt) was. Maar musties en mulattin dan? Dat is onderdeel van het koloniale kleurensysteem wat destijds gebruikt werd.

Europeaan (vaak aangeduid als “blanke”)
Mulatto / mulattin → kind van één Europees en één Afrikaans persoon (½ Europees / ½ Arfrikaans)
Mesties / musties → kind van een mulat en een Europees persoon (¾ Europees / ¼ Afrikaans)
Soms nog: casties / quadroon-achtige termen → verdere vermenging

Door dit systeem ontstond ook een sociale hiërarchie. In grote lijnen gold:

  1. Europeanen stonden bovenaan.
  2. Vrije mensen van gemengde afkomst (mulatten, mustiezen) vormden een tussengroep.
  3. Tot slaaf gemaakte en hun nakomelingen stonden onderaan.

Maar: binnen de groep vrije mensen van kleur bestonden ook weer verschillen.
Een musties (met meer Europese voorouders) kon maatschappelijk vaak dichter bij de blanke elite staan dan een mulat.

Wat verder ook opvalt aan de doopaktes is een getuige genaamd Abraham Sigismundus Comvalius. Wie was dat? We komen ook doopaktes van meer personen tegen met de achternaam Comvalius. Zo ook van Abraham Sigismundus Comvalius. In die doopregistratie staat:

“1776 maart 31 is door mij ondergeschreevene behoorlijk in de kerk van Paramaribo gedoopt vier bejaarde persoonen na alvoorens op den 19 maart belijdenisse des geloofs afgelegt te hebben in de tegenwoordigheid van de ….. en broeder J: Mourques 1. Johannes Jacobus van Luijter, toebehorende aan Namrek van …. Getuigen J: J: de Sanger 2. Hendrik Calpet(?) een vrijgebooren carboekel getuigen Hendrik … Ehrensteijn 3. Abraham Sigismundus Comvalius een vrije mulat. Getuigen Ms van Hanekroth 4. Louis Fredrik de Lisle(??) een vrijgeboren mulat. Getuige A.C.D.P. Baron de Courval.”

Een testament van Balthazar Comvalius brengt in één keer het gezin in beeld. Balthazar bleek ziek te zijn en stelde daarom in februari 1772 een testament zelfstandig op en liet deze officieel bekrachtigen bij de “Secretarij van de Colonie Surinaame”. In zijn testament schreef hij dat hij de meid Caatje, haar dochter Jona en haar zes kinderen had gekocht van Abraham van de Lande. De zes kinderen worden bij naam genoemd respectievelijk Abraham, Balthazar, Adriaan, Cornelia, Jacoba en Catharina. Normaliter in volgorde van leeftijd, dus dat nemen we dan maar aan.

Er komt nog een aanvulling achter het testament waar Balthazar Comvalius nog een dochter van Jona vermelde genaamd Johanna en dat zij geen onderdeel van de koop was, maar wél een erfgenaam van hem net als alle andere kinderen van Jona.

De oplettende lezer herinnert zich nog dat de naam Comvalius ook voor komt in de directe lijn van de familie Wolff. Hendrik Wolff zijn moeder was genaamd Johanna Sophia van Comvalius. De kans is aannemelijk dat zij aansluit bij deze familie, maar via welke van de kinderen van Jona is niet helemaal duidelijk. Het feit dat zij Johanna Sophia heette geeft mogelijk een hint, want haar mogelijke tante Jacoba van Comvalius wordt ook Johanna Sophia genoemd. Daarnaast was de eerste zoon van Johanna Sophia genaamd Johannes Abraham Claassen. Dat zou kunnen betekenen dat zij een afstammeling zou kunnen zijn van Abraham Sigismundus Comvalius? De eerste zoon van Abraham Sigismundus heette Abraham Johannes Comvalius. Of wellicht via een andere zoon van hem genaamd Jan Balthazar Comvalius? Maar helaas is er tot op heden geen bewijs voor gevonden.

Kortom, de familie Wolff heeft een zeer interessante geschiedenis van vele geloven, vele kleuren, vele culturen, veel continenten, veel lijden, maar ook heel veel kracht!